Terug naar alle teksten

Dag oester,

Op de eerste editie van de Matrijs, een podiumprogramma van literair tijdschrift De Baaierd, droeg ik een brief aan een oester voor. De Matrijs was onderdeel van literair festival Dichter bij water, een jaarlijks festival in het Watersnoodmuseum.

Dag oester,

Ik kwam je tegen op het wad van de Oosterschelde. Pas toen ik mijn teen langs je rotsachtige kant schraapte, viel je me op. Een klassieke creuse, ingeburgerde exoot van de Schelde. Ik bukte en zag dat je nog dicht was. Je was alleen en het water was ver weg. Waarschijnlijk leefde je niet meer. Ik wrikte je schelp met veel moeite open, sneed de sluitspier door midden en bekeek je eens goed. De mantel met de gevoelige rafelranden leek een uitgewaaierd blad. De geur bevestigde wat ik al dacht. Je was dood.

Ik nam je schelp mee naar huis, niet omdat je nou zo opvallend mooi was, maar omdat ik relikwieën van de zee verzamel in een antieke ladenkast die in de gang staat. De zee is dan dichterbij. Als ik mijn huis binnenkom zeg ik soms ‘dag zee’ en als ik wegga ‘tot snel zee’.

Een vondst is altijd de start van een onderzoek. Oester - ostrea - ostrakon - harde schaal of schelp. Verwant: ostracisme, zo heette het schervengericht in de Atheense democratie. Als zijn naam het vaakst in een potscherf werd gekrast, werd een politiek figuur democratisch weggestemd, voor tien jaar verbannen uit de stad.

Jouw voorouders zijn nooit weggegaan nadat een Zeeuwse kweker ze hier bracht. Als parasieten plantten ze zich voort. De eerste dertig dagen van je leven had je nog geen schild. Als minuscule larve zweefde je met soortgenoten in het water. Onder de microscoop zie ik oogbolachtige bellen met wimpers aan de randen, waarmee de larven elkaar raken. Ze cirkelen als botsautootjes om hun as voordat ze zich zijdelings verplaatsen en in het midden klopt er iets; er trekt iets samen. Het zoeken naar een vaste plek begint al vroeg. Je kunt ruiken onder water, dat kunnen wij niet eens. Je drijft de geur van volwassen soortgenoten achterna. En hoe ruikt je aartsvijand, de zeester? Zanderig en weeïg? Zoals mijn sokken wanneer ik ze uittrek na een warme dag aan zee? Ik had ook niet gedacht dat je kon horen, trouwens. Hoe klinkt het geluid van een gezond oesterrif? Iets als ghloep kkrrr ghloep krr ghloep krr ? Mijn soortgenoten en ik willen dit graag weten. Ik zal ook vragen of de schepen hun brommende muil kunnen houden. Dan is het oesterrif ten minste weer te horen.

De biofilm geeft tekens en jij trekt er levensconclusies uit: dit substraat heeft wel of geen vestigingspotentie. Als je die superlijm hebt uitgescheiden en eenmaal vastzit, kom je niet meer weg uit die grote geribbelde schelpenwand. Je gaat op in de muur van soortgenoten. Je onzichtbaarheid ertussen is een eigenschap die ik nooit zal kennen. En dan begint de metamorfose van beweeglijk naar vast.

Ik lees natuurboeken, eindeloze verhandelingen over schelpdieren. Opgesomde feiten over de delen die opgeteld een oester zoals jij tot een geheel maken. En nog stel ik wanhopig vast dat ik je niet kan kennen. En waar houd jij op en begint de andere soort? Wist je dat vijftien zeepokken zich hebben vastgeketend aan je schelp? Als een obsessieve geliefde bestudeer ik het eindeloze opgaan in het filteren van water, een taak die nooit klaar is.

Weet je, ik zie elk lichaam meteen als de drager van een geest. Ik heb laatst nog een soortgenoot van je gegeten omdat jullie zo anders zijn. Ik wist niet of je een moeder had en dat was een van mijn graadmeters als vegetariër. Je hebt een moeder, weet ik nu. En die moeder was een vader vroeger. Hij kon van geslacht veranderen, toen de rivier helder en vol voedsel was.

Ik moet denken aan Bernini’s beeld van Hermaphroditus, het lichaam dat een nieuwe vorm in vloeit. Het marmeren matras waarop Hermaphroditus ligt lijkt zo glad en licht, alsof hij op een luchtbed in de Tiber drijft. De mythe vertelt het verhaal van een jongeman die een nimf ontmoet. Ze heet Salmacis en woont in het water. Bedwelmd door zijn schoonheid verklaart de nimf hem de liefde, maar hij wijst haar af. Bedroefd roept zij de goden aan en in een innige omhelzing versmelten hun lichamen tot een ondefinieerbare vorm, man en vrouw tegelijk.

Je bent een onvertaalbaar dier, verder dan ‘hermafrodiet waterfilter met rotsachtige wand’ kom ik niet. Is er iets van jouw voorouders gesedimenteerd in mij? Welke tekens laat je achter, welke sporen kan ik nagaan? Ik zoek verder naar iets van jou in mij, hoewel ik weet: als ik jouw raadsel heb opgelost, stop ik waarschijnlijk met spoorzoeken.

Zarathustra komt uit de zee tevoorschijn, sleept zijn lichaam aan land. Hij verwerpt die oorsprong meteen en belooft zijn trouw aan de aarde. En ook ik heb meer met landdieren dan met zeewezens zoals jij. De mannen wensen het water weg en bouwen solide dammen. Ze zouden de droogte moeten vrezen, want het is die continue stroom die ons laat voortleven. Elk lichaam is een watermassa, zelfs als je liever bevriest dan stroomt. En waar komt het speeksel op de mondhoeken van de oesterkweker vandaan als hij praat? Toch zeker van een waterige bron?

De Schelde geeft en neemt. Missen de mensen het zesde zintuig voor getijdenherkenning, dan neemt het water ze terug. Ze heeft ons immers gebaard. La mer, c’est la mère . Zeesponzen vol zeewater zijn we. Ons voedsel zouten we om onze binnenzee te voelen. Zo hebben we de herinnering aan zee mee het land op genomen.

Jij, oester, bent doordringbaar en je reguleert. Je zuigt het leven op uit de Schelde, de ondode metalen horen er onlosmakelijk bij. Je slaat ze op, je verstopt ze of je geeft ze door aan ons. Je vloeit en lekt, net als ik. We weigeren een vaste vorm. Ons zijn en ons worden zijn verweven, want in ons en voor ons is er altijd water.