Terug naar alle teksten

Feeënvingers

Als de zon opkwam, stond ze altijd bij het water tussen het riet te grazen. De sponzige voorjaarsbodem gonsde onder haar zware hoeven die nog meer gewicht dan vroeger droegen. Gisteren zag ik in de mist de dauwdruppels liggen op de stugge haren van haar rug. De druppels vielen eraf zodra ze met een korte ruk een nieuwe pluk uit de grond trok. Nu zie ik haar nergens, maar het gebied is wijds. Dit is een afgebakende wilde plek, waar grote grazers welkom zijn als middel in de strijd tegen verruiging. Een hoopje mest op de grassige oeverwal verstikt een plakkaat cilindermos. Ik loop door.

Als ik het grasland bijna ben overgestoken en het statige domein van de natuurbeheerder bereik, zijn mijn voeten doorweekt. Ik vraag waar ze is en hij laat me haar zien. In de luwte van een rij wilgen staat de merrie, jouw moeder. Ze kijkt loom op. Dan zie ik je liggen. Je ribbenkast vormt een trillend reliëf. Benig en zwart, met een paars-groene gloed over de romp, als een glanzende gevleugelde olievlek. Ik ben nog nooit zo dicht bij het leven geweest. Vier weke benen liggen gestrekt naast je en ik zie de zachte feeënvingers aan het uiteinde van elke hoef zitten. De rubberachtige kussens hebben je moeder beschermd. Je zou een grote migrerende grazer moeten worden, maar lijkt uit een andere wereld te komen. Je botten zullen je nooit kunnen dragen en de feeënvingers zullen niet loslaten. Het vlezige omhulsel waarin je de wereld van de natuurbeheerder binnen werd gekwakt, ligt als een nutteloos hoopje in het gras. Je viel hard en terugkeren kan niet.

Vreemd gevogelte wordt nooit oud. Ze verlaten het nest voor de wind hun natte vleugels heeft gedroogd. Niet in staat om voor zichzelf te denken, te kijken. Morgen zal je sterfdag zijn. Ik wil je feeënvingers losweken in een grote ijzeren teil, om ze te bewaren in het kabinet van de dingen die ik niet kan begrijpen. Het riet aan de slootkant heb ik geplukt. Ik zal me vastklampen aan elke vezel, omdat dit een heilige plek is.